vrijdag 4 september 2009

Riga


Michelangelo was nooit in Letland.

Dat wordt gezien als feit. Ondanks dat er aanwijzingen zijn dat de artiest een omweg maakte toen hij rond 1495 van Florence naar Rome ging, lijkt het onwaarschijnlijk dat deze omweg zo groot was dat zelfs Riga werkt bereikt.

En daar baalden ze in Letland van.

Toen het museum van Buitenlandse kunst in de Letse hoofdstad Riga werd geopend, kon er namelijk geen enkel beeld van de Italiaanse meester getoond worden. Niet dat collega hoofsteden als Tallin en Vilnius wel een werk van Michelangelo in huis hebben. Maar toch. Het was toch een mooie toeristische trekpleister geweest als je er wel een zou hebben.

Het vervelende is bovendien dat Michelangelo al ruim 450 jaar geleden is overleden en dat je dus geen nieuw beeld meer bij hem kan bestellen. Zelfs al heb je in je museum nog talloze plafonds wit gelaten, nooit meer zal Michelangelo er twee vingers op schilderen. Nooit zal Michelangelo jouw land het leven geven, dat het Vaticaan wel gekregen heeft. Zijn scheppingskracht is verloren gegaan.

Wat nu?

Dat zullen ze zich in Riga ook afgevraagd hebben. En precies op dat moment moet er een man zijn opgestaan die dacht dat hij de oplossing had. Het moet vermoedelijk iemand zijn geweest die jarenlang verscholen in de krochten van een of ander ministerie netjes zijn werk heeft gedaan, nooit in een museum is geweest, maar wel ernstig hoopte op promotie. Diegene moet zijn opgestaan.

Hoe deze man zijn collega’s heeft overtuigd is een groot raadsel. Maar in ieder geval heeft hij het voor elkaar gekregen om een kopie te laten maken van de Mozes van Michelangelo uit Rome en deze in het museum neer te zetten. En dat was pas het begin.

Want toen ze een Michelangelo hadden wilden ze eigenlijk ook wel een Donatello. En liever ook wat beelden uit de Griekse en de Romeinse tijd. Maar ja, zelfs de Romeinen hadden het nooit tot in Letland gered en dus werden ook deze beelden gekopieerd. Er werd zelfs om een kopietje van de Venus van Milo uit het Louvre gevraagd. Ook deze kwamen in het museum, zodat iedereen in Letland deze ‘topstukken’ kon zien.

Al 60 jaar lopen ze zo in Riga te pronken met kopieën van topstukken.

En toen besloot men er een moderne kunstenaar langs te sturen. Vermoedelijk een kunstenaar die ooit iets in een boekje had gelezen over de homoseksualiteit van de Grieken. Een kunstenaar die dacht Riga voor eens en altijd de uitstraling te geven die Tallin en Vilnius niet hebben. Het resultaat?


Kopieën van Griekse beelden met een handtasje…..

dinsdag 1 september 2009

Rome

In de 4e eeuw voor Christus zat er op de Quirinaal heuvel in Rome een pottenbakkerij. De pottenbakker die hier werkte, was in de hele streek bekend vanwege de fijnheid van zijn vazen. Een rijke Romein bestelde daarom bij hem een vaas met een afbeelding van Jupiter, de oppergod en tevens beschermer van de stad Rome.

De vaas was zo verfijnd dat de rijke man verbood om hem te vullen met olijfolie of andere producten. Het werd een pronkstuk dat werd neergezet in zijn salon. Iedere gast die hij ontving, bleef even kijken naar ‘zijn’ Jupiter. De mensen waren onder de indruk van de vaas en complimenteerden hem met zijn aankoop. ‘Wat een schoonheid! Het lijkt wel van een andere planeet!’

Toen de rijke man overleed, ging de vaas over van generatie op generatie. De reputatie van de vaas werd steeds groter en de pottenbakker die hem gemaakt had, werd vergeten. Er gingen verhalen de ronde doen dat de vaas nog door Aeneas uit Troje was meegenomen.

De vaas ging over van hand op hand. Sommige erfgenamen poetsten hem op, anderen lieten hem verwaarlozen. Maar steeds kwam de schoonheid van de vaas weer boven. Totdat in de 4e eeuw na Christus twee erfgenamen ruzie kregen en beide aan één kant van de vaas begonnen te trekken. Het onvermijdelijke gebeurde, de vaas brak in twee stukken.

Beide erfgenamen gingen er ieder met hun eigen deel van de vaas vandoor en wisten het verval nog wat af te remmen. Maar toen de halve vazen weer overerfden op hun zonen en op de zonen van hun zonen, braken er steeds meer scherven van de vazen af.

De scherven raakten verspreid over Rome en van de afbeelding van Jupiter bleef niets meer over. Opgedeeld in talloze kleine stukjes werd de glorie van de oppergod gebroken en was de schoonheid van de vaas nauwelijks nog te zien.

Toch zijn er tegenwoordig nog scherven van de vaas te vinden in Rome. Zo tref je hier een stukje van Jupiter’s voet of daar een opgepoetste bliksemschicht. De scherven verraden stuk voor stuk hoe mooi de vaas ooit geweest moet zijn, maar nooit meer zal de volledige grootsheid van Jupiter zichtbaar zijn. De schoonheid is gehavend en al wat rest zijn scherven…

Deze week op Tour du Monde een terugblik op de vakantie. Na een maandje op verschillende plaatsen in Europa mijn ogen de kost te hebben gegeven, heb ik enkele verhalen opgetekend.

zondag 30 augustus 2009

Spoorboekje

Een kort bericht nu ik terug ben van mijn vakanties. De komende week zal ik hier een paar indrukken uit deze vakanties plaatsen. Verder wil ik vooral even laten weten dat ik op 9 september aanstaande de trein weer naar Parijs zal nemen. Tot die tijd ben ik in Nederland.

donderdag 6 augustus 2009

Meneer Smalbeen in Nederland

Meneer Smalbeen was weer thuis. Ik had hem maanden niet gezien maar een paar weken geleden stond hij opeens met zijn zwarte koffer voor de deur. Hij droeg een spijkerbroek en een gestreepte trui die ik nog nooit gezien had, maar ik herkende hem aan zijn bruine schoenen.

Snel besnuffelde ik de bruine stof en bemerkte een doordringende lucht die zijn weg naar buiten probeerde te banen. Als hij zijn tenen bewoog kwam er opeens een golf door de poriën naar buiten. Ik wist dat de lucht zou komen, maar toch bleef ik ruiken. De gaten in de zijkant van de schoen waren nog steeds niet gerepareerd. Ik probeerde mijn poot erdoor naar binnen te steken en werd toen door Smalbeen opgemerkt. Hij beloonde me met een aai over mijn bol.

Smalbeen heette Smalbeen, omdat hij smalle benen had. Hij wilde altijd dat je bij hem op schoot kwam zitten. Maar als je daar zat, moest je altijd uitkijken dat je niet van zijn benen afgleed. Ik probeerde het altijd te ontlopen. Maar als hij me heel lang bleef roepen, ging ik wel eens bij hem zitten. Ik vond het zielig als hij de enige was waar ik nooit bij ging zitten. Bovendien aaide hij me altijd zo lief.

Smalbeen was net als alle andere mensen. Hij liep altijd in de weg als je net lekker bezig was. Zo ook deze week. Ik had in de verte een indringer gezien in mijn gebied. Het was een wonderlijk klein beest dat uit de lucht was komen vallen, het blaadjesbeest! Ik noemde het ding zo omdat het leek te bestaan uit twee oranjebruine blaadjes die hij steeds heen en weer bewoog.


Ik besloot het blaadjesbeest te vangen. Misschien smaakte het wel erg lekker? Stilletjes had ik dus mijn jachthouding aangenomen. Stapje voor stapje sloop ik dichterbij en net voordat ik de laatste sprong wilde nemen om het blaadjesbeest te vangen, kwam Smalbeen aanlopen met een ijzeren monster. Het monster stoof over het gras en hakte alle sprietjes doormidden. Het blaadjesbeest schrok hiervan en verdween weer in de lucht.

Boos liep ik op Smalbeen af en ik slaakte een klagelijke mauw. Hij had toch even kunnen wachten totdat ik het blaadjesbeest gevangen had. Waarom moest hij precies nu alle grassprietjes doden? Ik ging midden voor het ijzeren monster stilstaan. Smalbeen hield stil en tilde me op. Nadat hij me op het pad weer neerzette, was daar weer die aai over mijn hoofd.

Mensen denken dat ze alles goed kunnen maken met een aai over het hoofd. Vaak maken ze daarbij ook allerlei geluiden, waar ik niks van begrijp. Ze roepen dingen als ‘poes’. Ik mauw wel eens wat terug, maar ook dat begrijpen ze niet. Ik vraag me soms af of ze elkaar wel begrijpen. Ik heb een mens nog nooit een soortgenoot een aai over het hoofd zien geven.

Smalbeen stoort mij wel altijd met een aai over mijn hoofd. Zelfs als ik me zit te wassen. Net als ik met mijn tong al mijn haren zorgvuldig in model heb gelegd, gaat hij er met zijn een hand door heen. Ik kan dan weer van voor af aan beginnen. Ik heb liever dat hij me krabbelt. Vooral in mijn nek, daar kan ik zelf niet goed bij. En juist in mijn nek heb ik altijd jeuk. Het is om gek van te worden.

Vanochtend stond de zwarte koffer weer voor de deur. Ik snuffelde aan de randjes, toen ik opeens de geur van de bruine schoenen weer dichtbij rook. Ik keek achter me en zag Smalbeen. Zou hij weer weggaan? Ik had liever dat hij nog even bleef en in mijn nek krabbelde. Ik zou zelfs wel wat vaker bij hem op schoot gaan zitten. Ik mauwde vragend, wat ga je doen?

Hij aaide me over mijn hoofd en zei wat tegen me over ‘Rome’. Wat dat dan ook moge betekenen. Daarna draaide hij zich om, pakte zijn koffer en liep de deur uit. Vlakvoor de deur in het slot viel, zag ik nog het gat in zijn bruine schoenen. Als ik Smalbeen terugwilde vinden, hoefde ik slechts mijn neus te volgen.

dinsdag 28 juli 2009

Wat zullen we feesten, 7 dagen lang!

Wat zullen we feesten, 7 dagen lang! Dat was de boodschap ruim een week geleden op weg naar het centrum van Nijmegen voor de jaarlijkse vierdaagsefeesten. Het programma was dan wel niet bijzonder, toch gingen we met goede moed de mensenmassa in. Er is immers niets idealer dan een feestweek om iedereen in Nederland weer eens te zien!

En zo stond ik zaterdagavond op de Waalkade mee te brullen met Wolter Kroes’ Viva Holandia, een hit die ik vorige zomer zo goed had weten te ontlopen door mijn verblijf in Spanje. Maar Wolter had er zin in en het publiek schreeuwde vrolijk mee. Zelf heb ik nog de hele nacht liggen dromen van overvliegende bierglazen die een klevend spoor in mijn haren achterlieten.

Een deja-vu ervaring had ik dan ook toen ik de volgende avond bij de Sjonnies stond en een regen van het brouwsel op mijn hoofd en schouders landde. Het was nog maar een voorproefje van alle gewone regen die ik later die avond en de rest van de week nog over me heen zou krijgen.
Het werd een leuke avond; de Sjonnies leverden een standaard show en kregen het hele plein aan het zingen en dansen. Bonnie St. Claire leverde een standaard show en kreeg een glas bier in haar gezicht.


De avonden die zouden volgen, stonden in het teken van regen en matige artiesten. Iets dat ik me ten volle besefte toen ik donderdagavond bij ‘headliner’ Boris stond. Om me heen stond het echte ‘Idolspubliek’. U kent het wel, permanentjes en bierbuiken die bij hoge uitzondering de TV hadden verruild voor een avondje uit.

En nadat ik eerder op de avond ex-idol Nikki al Michael Jackson-klassieker Beat It had horen verkrachten, sprongen de tranen in mijn ogen bij de danspasjes van Boris. De zelfbenoemde Jackson-specialist zal toch nog een beetje moeten oefenen voordat hij de onnavolgbare bewegingen van de meester zelf kan opvoeren. Ondertussen vroeg ik me af waar de originaliteit was gebleven.

Was het dan allemaal malheur? Nee hoor, de regen en de muziek konden mijn vierdaagsefeesten niet bederven. Het was gezellig om met mensen door de stad te lopen die ik het afgelopen jaar heb moeten missen. Met de sfeer zat het bovendien wel goed op een aantal bekende plekken.

Bovendien was er op de woensdagavond toch nog een muzikaal hoogtepunt te vinden in de stad. In de St. Stevenskerk trad Moke op, dat wil zeggen de kern van de band (3 van de 5 leden) met een kwartet van strijkers. De bekende nummers dus op een bijzondere manier en in een bijzondere setting uitgevoerd en dat leverde een paar pareltjes op.

Vooral het slotnummer van de setlist ‘the Long Way’ werd door de strijkers veel intenser dan het origineel. Bij andere nummers was de inbreng van de strijkers minder en miste ik toch echt de drummer, die was thuisgebleven. Toch was het geheel een geslaagd experiment. Tevreden liep ik woensdagavond de kerk dus uit, de regen tegemoet…

zaterdag 4 juli 2009

Naar de Gay Parade

Het was ruim 30 graden, geen schaduw en voor mijn neus stond een open vrachtwagen met hierop een dansende man in een goud-glitterende onderbroek. Op dat moment vroeg Roel mij ‘Zou jij nou ook niet zo’n mooi goud broekje willen?’

Natuurlijk ga ik u ook deze week weer iets vertellen over het leven in Parijs, zoals u van mij gewend bent. Maar eerst een paar informatievere opmerkingen. Afgelopen week heb ik mijn eerste studiejaar in Frankrijk afgerond met een presentatie. Hierdoor heb ik ook de laatste studiepunten binnengehaald en heb ik dit jaar afgesloten zonder dat ik iets moet herkansen in de zomer.

Dit geeft mij de mogelijkheid om 9 juli de trein naar Nederland te pakken. De rest van de maand juli en begin augustus zal ik dan in ieder geval in Nijmegen vertoeven. Voor de berichtgeving op dit blog heeft dit geen gevolgen. Ik ben van plan ook tijdens de zomer hier berichten te plaatsen, al zal het onregelmatiger zijn dan tot nu toe. Tijdens mijn verblijf in Nederland ben ik verder gewoon via mijn Nederlandse telefoonnummer te bereiken.

Maar goed, genoeg geklets, terug naar de gouden broekjes aan de boulevard Montparnasse.


U hoeft overigens niet bang te zijn om dadelijk een foto van mijzelf in een gouden broekje aan te treffen, want ik heb het genereuze aanbod van Roel afgewezen. Het mocht dan wel warm zijn, er zijn esthetischere oplossingen om verkoeling te vinden. Om me heen dachten mensen hier overigens anders over, zo bleek uit de schaars geklede lichamen die af en toe langskwamen.

Een gouden broekje vinden was geen probleem geweest. Het was namelijk Gay Pride in Parijs en wie denkt dat dit een statement is voor de homo-emancipatie, die zit er naast. Het ooit idealistische evenement is verworden tot een commercieel vehikel waarbij op iedere straat hoek t-shirt, gekleurde vlaggen en meer ongein te koop is.

Het is geen geheim dat ik persoonlijk nogal een afkeer heb van het overdreven gedoe tijdens de gemiddelde homoparade. Maar toen Roel en ik afgelopen weekend toch in de buurt waren, moesten we er toch even langs. En aangezien ik me van TV voornamelijk een man met een hoed en een roze stropdas op een boot herinnerde, ging ik op zoek naar de man met de hoed.

Maar dat bleek nog niet zo simpel. Toen ik tussen de talloze roze en paarse exemplaren een eerste zwarte hoed vond, bleek hieronder een breedgeschouder man met snor te zitten die in 'kleren' liep waarvoor minstens vijf koeien het leven hadden gelaten. En het volgende hoedje dat ik zag, maakte zulke soepele heupbewegingen. Dat kon nooit iemand uit een Nederlands kabinet zijn.

Het leek wel alsof iedereen vandaag een hoofddeksel droeg om zich te beschermen tegen het felle zonlicht. Maar die ene man die ik op TV had gezien, was natuurlijk nergens te bekennen. Nou moet ik eerlijk zeggen dat ik Plasterk ook niet had verwacht tijdens dit Parijze homofeestje. Ik was eigenlijk meer op zoek naar Bertrand Delanoë, de homoseksuele burgemeester van Parijs.

Maar toen we zolang in de zon hadden gestaan dat we overal waanvoorstellingen van mannen met hoeden zagen, werd het tijd om een koelere plek op te zoeken. Zonder Plasterk of Delanoë te hebben gezien, verliet ik de boulevard met de 'knapste jongen' van de hele parade. Toen ik maandagochtend de krant opensloeg, las ik dat Delanoë er wel had rondgelopen. Maar of hij ook een hoed op had? Misschien zelfs wel een goud onderbroekje!

zondag 21 juni 2009

Uit eten met mijn geliefde

En zo zat ik afgelopen zaterdag met de liefde van mijn leven in een klein restaurantje in Parijs. Terwijl het buiten langzaam donker en kouder werd, steeg binnen de temperatuur. Bij het kaarslicht genoten wij van het eten, de wijn en elkaar.

Althans, dat dacht de ober.

U weet wel, zo’n type dat de hele avond aan zijn fooi loopt te werken, maar als hij je tafel nodig heeft zonder pardon de rekening presenteert. Zo’n man die de hele avond geintjes loopt te maken, maar steevast het bord voor de verkeerde persoon neerzet. Zo iemand die zijn charmes gebruikt om je dat extra wijntje aan te praten, maar als hij de karaf nodig heeft je glas tot de rand volgiet. Kort gezegd, een Italiaanse ober in een Frans restaurant met heimwee zijn thuisland.

Toen de ober voor de eerste keer een toespeling maakte, kon ik het niet laten er hard om te lachen. Ik ging ervan uit dat hij dan wel zou begrijpen dat hij er naast zat. Maar daar beging ik een fout. De ober zag hier alleen maar een aanmoediging in om te blijven benadrukken dat wij geliefden zouden zijn. Hij moet gedacht hebben dat ik erg blij was met zijn woorden.

En zo werd die ‘Monsieur qui parle Français’ (ik dus) de rest van de avond bestookt met opmerkingen. ‘Hadden ‘les amoureux’ al een keuze kunnen maken?’ of ‘Monsieur, wat zien jullie er gelukkig uit.’ De ober had het goed naar zijn zin.


In werkelijkheid zat ik in het restaurantje met mijn goede vriendin Noortje, die een weekendje naar Parijs was afgereisd. Maar nu ze opeens tot mijn geliefde was gepromoveerd, werd er natuurlijk wel een andere houding van mij verwacht. Decennia teruggeworpen in de tijd zaten we daar als een klassiek voorbeeld van een man en vrouw.

Zo werd mij de wijnkaart aangeboden in de veronderstelling dat de man degene is die dit soort beslissingen neemt. Daar tegenover stond dat uiteraard Noortje als eerste het bord voor haar neus kreeg neergezet. Maar vervolgens werd ik weer aangekeken als de bestelling moest worden opgenomen. Die ober had het me maar lastig gemaakt met zijn opdringerige aannames.

Want moest ik haar nu verliefd aan gaan zitten kijken? Werd er nou van mij verwacht dat ik de rekening zou betalen? En dat ik voortaan haar stoel voor haar zou vasthouden bij het plaatsnemen? Werd er op gerekend dat ik deuren voor haar open zou houden als we het restaurant uitliepen? En moesten we nou hand in hand de straat op gaan?

Maar na het dessert sloeg de sfeer opeens helemaal om. De ober had geen tijd meer voor flauwe opmerkingen, maar probeerde ons zo snel mogelijk het restaurant uit te werken. De rekening kwam zonder dat we erom gevraagd hadden en de bestelde koffie werd nooit meer gezien. Voor de deur stond een groepje nieuwe gasten ongeduldig naar binnen te kijken. Kort gezegd, of we niet op konden stappen.

Eenmaal buiten waren we geen geliefden meer en was alles weer bij het oude. Toen we de volgende avond een nieuw restaurant binnenstapten, keek ik afwachtend de ober aan. Maar gelukkig, deze keer geen toespelingen, maar lekker eten en de rekening wanneer wij hem wilden hebben.

zaterdag 13 juni 2009

De Waarheid over het Frans Toilet

Toen we vroeger met het hele gezin op vakantie gingen, werden altijd bij de eerste stop op Frans grondgebied de toiletten even gecontroleerd. Als de melding van 'gat in de grond WC' gemaakt werd, holde de hele familie inclusief knuffelbeer en foto van de thuisgebleven kat naar het toiletgebouw om 'het wonder van de Franse WC' te aanschouwen.

Hoe die Fransen het toch ooit in hun hoofd hadden gehaald om hier hun behoefte op te willen doen, is nog altijd onduidelijk. Sterker nog, zelf zijn ze er ook niet erg trots op. De ouderwetse hurk WC wordt hier immers 'la toilette turque' genoemd. Ze begrijpen hier blijkbaar nog niet dat je moeilijk de turken overal de schuld van kan geven.

In het hedendaagse Parijs is het me nog niet overkomen om een exemplaar van de beruchte Franse hurktoilet aan te treffen. Maar wie denkt dat dit betekent dat het tegenwoordig prima in orde is met de Franse WC, die komt bedrogen uit. Frankrijk en het toilet is het verhaal van een huwelijk dat nooit slagen zal.


Afgelopen week was het weer zo ver. Vlak voordat ik een concert bezocht, kwam ik weer terecht in zo'n vreselijk hok. Op het oog zag de pot er schoon uit, maar eenmaal binnen bleken de wandtegeltjes een doordringende urinelucht te wasemen. Al zou je er zelf de grootste dampende drol uit je hele leven neerleggen, zou je hem nog niet ruiken. De zware zure lucht overheerst alles.

Ik denk zelfs dat het onmogelijk is de lucht in die ruimte ooit weer fatsoenlijk te krijgen, zonder werkelijk iedere centimeter van het tegelwerk te vervangen. Iets dat in dit geval sowieso geen overbodige luxe zou zijn, want de muren zaten volgekliederd met duidelijke teksten in de trand van 'Sarko baisse ta mère'. Even kreeg ik de neiging een filtstift uit mijn tas te pakken en zelf de tekst 'La France nettoie tes toilettes!' aan de muur toe te voegen. Maar uit angst dat mijn filtstift na contact met de zure muur iedere verder dienst zou weigeren, heb ik hier toch maar van afgezien.

Toch was er in dit luchtvervuilende hok nog één meevaller te vinden. Er was namelijk zowaar WC papier aanwezig, iets wat in de gemiddelde Parijse WC niet het geval is. WC papier hoort tegenwoordig dan ook bij mijn basisuitrusting. Voordat ik de deur uitga, bedenk ik me altijd nog even of ik alles heb. Portemonnaie? Telefoon? Sleutels? WC-papier? Mooi! Dan kan ik gaan. Maar goed, ik hoefde mijn eigen voorraad dus niet aan te spreken, want hier hing het gewoon.

Toen ik het hok verliet, zag ik in het halletje nog een papier tegen de muur hangen. Even dacht ik aan een kopie van een hinderwetvergunning, maar het bleek een schoonmaakschema te zijn. De WC zou een uur geleden nog schoongemaakt zijn, zo zei de handtekening achter het tijdstip. Ik weet niet welke schoonmaakmiddelen ze er gebruiken. Maa als ik een vertegenwoordiger van Glorix was, zou ik nog maar eens pakketje met foldertjes deze kant opsturen.

zaterdag 6 juni 2009

L'Homme de Moules

In al die weken dat ik hier nu mijn berichtjes plaats, heb ik nog nooit eens iets geschreven over de schoonheid van de Franse taal. Deze week komt daar verandering in, want ik ga het met u hebben over hét woord van de afgelopen week. Namelijk ‘MOSLIM’. U zult zeggen, dat klinkt niet erg Frans en dat klopt, want dat is ook een Nederlands woord.

Vrijdag kocht ik bij de plaatselijke tijdschriftenboer ‘Le Figaro’. Dit is de oudste krant van Frankrijk en deze heeft een rechtse signatuur. Ooit was dit dagblad links georiënteerd, maar tegenwoordig (zoals dat met veel mensen gaat als ze geld gaan verdienen) is het een degelijk rechtse krant. Nu de kranten de eindjes nog maar net aan elkaar kunnen knopen, is het dan ook slechts een kwestie van tijd voordat de krant weer links georiënteerd zal zijn.

Hoe dan ook, ik was op zoek naar de buitenlandse berichtgeving. Op pagina 7 vond ik deze ook. Ten eerste natuurlijk Obama die het gesprek aan wil gaan met de MOSLIMwereld en zoals ik al hoopte werd ik op dezelfde pagina verblijd met een verhaal over de Nederlandse uitslag van de Europese verkiezingen. Een artikel dus over de opkomst van Geert Wilders en zijn anti-MOSLIM standpunten.

‘De Nederlander Geert Wilders, zijn blonde peroxide haren, zijn slogans vol vreemdelinghaat en zijn afwijzing van de EU. Dat is het eerste beeld van de Europese verkiezingen. De man die ervan droomt het parlement in Straatsburg van binnenuit te veranderen heeft de toon gezet.’, zo stond het in de eerste alinea van het artikel. In de rest van het artikel was MOSLIM een veelgebruikt woord.

Het Franse woord voor moslim is ‘musulman’. Zegt u nu zelf, dat is toch werkelijk een prachtwoord van de bovenste plank! Al ligt de verwarring natuurlijk op de loer. Want de musulman die woont toch in Scheveningen? En dat is nou precies het probleem, zo leert ons Geert Wilders. Wat doen die ‘Musulmans’ in Scheveningen? Terugsturen naar het land van herkomst al dat criminele tuig!

‘Oom Geert’ staat immers voor de Nederlandse cultuur en zou niet willen dat onze eigen mosselman wordt vervangen door een stel ‘musulmannen’. Al kent men deze vervoeging van het woord musulman in het Frans niet, in het Frans bestaat wel het woord Musulmane. En dat zou voor Geert nog veel erger zijn, want die moslima’s zitten immers de hele dag thuis alleen maar een beetje onze belastingcenten op te maken, aldus de PVV.

Tegenover de PVV staat de Partij voor de Dieren die geen problemen heeft met een ‘musulman’, maar daarentegen wel met de mosselman. Mossels hebben ook een leven en worden op verschrikkelijke wijze geslacht voor de consumptiemaatschappij. De VVD vindt alles prima zolang de mosselman de Holocaust maar mag ontkennen en D66 wil zich inzetten voor de gekozen mosselman.

Groenlinks heeft nergens problemen mee zolang het maar mogelijk blijft om legaal het liedje ‘Zeg ken jij de mosselman?’ te downloaden en de PvdA is nog druk bezig met een interne discussie om het standpunt te bepalen. U begrijpt het, al met al wordt het er niet duidelijker op.

Misschien is ‘musulman’ dan toch niet zo’n handig woord. Het mag dan wel mooi klinken, maar de verwarring viert hoogtij. Gelukkig biedt de Franse taal ook daarvoor een uitkomst, dan gebruik je gewoon het woord ‘islamiste’ (islamiet). Daarmee zeg je precies hetzelfde en heb je geen verwarring.

Ikzelf heb afgelopen vrijdag toch maar gewoon het woord 'musulman' gebruikt, toen ik op het lab moest uitleggen wie toch die Geert Wilders was en hoe het toch mogelijk was dat zo'n man zoveel stemmen krijgt in het verdraagzame Nederland. Tja, leg dat maar eens uit...

zondag 31 mei 2009

Ik heb een buurvrouw uit Marokko en ze komt

Ik heb een buurvrouw uit Marokko en ze komt, of liever gezegd ze kwam. Afgelopen dinsdag was het zover. En ik wist zelf dus helemaal niet dat ik één buurvrouw uit Marokko had. Ik was op de hoogte van buren uit Tsjechië, Spanje, Guatemala, Frankrijk, Portugal en ‘ex-buren’ uit Zwitserland en Italie, maar niet van een Marokkaanse buurvrouw.

Hoe dan ook, afgelopen week was het hele zooitje bij elkaar op het zogenaamde ‘Fête des voisins’ ofwel ‘het Feest der Buren’. Nou ja, allemaal, dat wil zeggen alle genoemde internationale bewoners en ex-bewoners van de 6e etage en 3 andere mensen uit het gebouw die tevens de huisbazen zijn van de kamers op de 6e verdieping. O ja, en natuurlijk mijn Portugese huismeester en zijn gezin.

De rest van het gebouw voelde zich te goed voor een feestje met die studenten van de 6e. En dat was zonde, want wat is er weer veel te eten. Vooral uit de Portugese hoek was er weer uitgepakt. Tot ieders tevredenheid want wat kan dat mens koken. Heerlijk! Ikzelf had met een simpele ‘Fondant au Chocola’ mijn bijdrage geleverd.

Ook was er weer genoeg te drinken overigens. En ook hier was ik weer blij met de Portugezen, want ze nemen altijd een heerlijke witte wijn mee, waarvan ik nog altijd een keer moet vragen waar je die kan kopen. Fijn is ook dat de wijn over het algemeen een positieve invloed heeft op mijn Franse taalgebruik, waardoor ik zowaar ad rem leek te zijn.



Maar goed, terug naar de Marokkaanse buurvrouw. Ze bleek op de 2e etage te wonen. Hier lag inderdaad bij de deur een groene mat met daarop de tekst ‘Staupe, c’est ici!’. Maar nog nooit had ik de behoefte gehad bij deze mat daadwerkelijk te stoppen en de mat als mijn eindpunt te beschouwen. Ik kende haar toen immers ook nog niet.

Ze woont dus op de 2e etage en ik heb vooral contact met mijn ganggenoten op de 6e verdieping. U weet wel, die verdieping waar alleen een trap naartoe gaat, zodat je naar adem happend en zweet gutsend boven komt. Het is dan ook uit een soort gedeelde smart dat wij op de 6e verdieping elkaar veel spreken.

Haar ‘klacht’ dat wij het maar gezellig hadden met z’n allen op de 6e verdieping, terwijl zij alleen op de 2e zat, werd dan ook meteen van tafel geveegd. ‘Jij hoeft niet 6 trappen op!’ Een ruil werd dan ook snel voorgesteld met als gevolg dat wij met zijn 6’en op een kamertje op de 2e verdieping zouden te komen wonen en mijn Marrokaanse buurvrouw in haar eentje op de 6e verdieping.

Omdat ze dan weer alleen zou zitten, is de ruil op het laatste moment toch maar afgeblazen. En dus liep ik tegen twee uur ’s nachts toch weer die 6 trappen op. Toen ik langs de groene deurmat kwam, voelde ik opeens de neiging een melodietje te fluiten. Wat hield me tegen? De buren waren toch nog wakker (behalve degenen die zich te goed voelden). En dus kwamen de eerste tonen uit mijn mond en in mijn hoofd zongen alle buren mee!

zaterdag 23 mei 2009

22

Ieder jaar is het weer onvermijdelijk. Er komt een dag waarop je jezelf een jaar ouder mag noemen en voor mij kwam die dag afgelopen zaterdag. 22 jaren mag nu achter mijn naam zetten. Volgens de wikipedia wordt 22 geassocieerd met harde werkers. Ikzelf houd het toch bij 2x gek (11) of vooral het definitieve afscheid van de tienerjaren. U snapt het, een hele leeftijd ;)

Tijd voor taart! Helaas is het niet mogelijk u allemaal via de digitale snelweg een stukje te bezorgen, anders had ik dit uiteraard gedaan. Toch stond ik afgelopen weekend in mijn keukentje een taart te bakken. Gewoon een simpele appeltaart, maar mijn Franse collega’s waren wild enthousiast. ‘Exquis!’ of ‘Super bon’ en ik zelf maar denken dat mijn moeder het toch echt beter kon. Maar dat wisten zij niet.

Ook bleven ze maar vragen of er kaneel inzat. Ja mensen, in mijn appeltaart zit kaneel, zo’n vreemde combinatie is dat toch niet? Overigens vonden ze op het lab helemaal niet dat ik oud geworden was. ‘Bébé’, werd er gezegd toen ik vertelde dat ik 22 werd. Een baby bakt niet van die lekkere appeltaarten, was mijn verweer. Dat werd beaamd, maar toch was ik een baby.

Nu de tienerjaren steeds verder uit het zicht verdwijnen ga je de gekste dingen proberen om je toch nog jong te voelen. Voordat je het weet ben je immers oud, of nog erger, degelijk. Het is dus een zaak om in kringen te komen van mensen die nog ouder of vooral degelijker zijn dan jijzelf.



Zo vond ik mezelf afgelopen zondagmiddag terug in een klein zaaltje tussen allemaal mensen met grijze haren. Er zaten mannen met wandelstokken en prachtige Franse hoofddeksels samen met hun vrouwen die voor de gelegenheid netjes gekleed waren. Stiekem zat ik erop te wachten dat één der dames de breinaalden uit de tas zou pakken, maar helaas gebeurde dat niet.

Hoe ik hierin verzeild was geraakt? Nou dat zit zo, ik was bij één van mijn zwerftochten terecht gekomen bij een kapel aan de rand van de stad. Ooit was deze gesticht toen een Franse kroonprins in één verkeersongeluk met zijn koets om het leven was gekomen. Bij de ingang van deze gedenkkapel hing een bordje dat er een kwartier later een concert zou beginnen.

Dat liet ik natuurlijk niet aan me voorbij gaan. En dus zat ik tussen de plaatselijke oma’s en opa’s te luisteren naar een prachtig concert van cello en piano. Ruim een uur lang werd ik bedolven onder de mooiste melodieën van onder meer Bach, Chopin en Lully. Het applaus werd iedere keer luider en langer. En ik voelde me steeds jonger en jonger.

Sterker nog, het is me zo goed bevallen dat ik heb besloten dat ik dit vaker moet gaan doen. Volgende week kunt mij dus verwachten bij de plaatselijke bridge vereniging. Ook heb ik me inschrijven bij de handwerkclub. Maar het meest verheug ik me op een potje Pétanque in de schaduw van de bomen aan de rand van het park.

zaterdag 16 mei 2009

Stoelendans

Langzaam komen de eerste regendruppels naar beneden in de Rue de Rivoli, als ik met Jonathan voor een restaurantje sta. ‘Heb jij geld?’ Het antwoord is negatief, maar toch lopen we naar binnen. Achter ons springt het stoplicht op groen en trekken de auto’s met bedruppelde voorruiten op. Het geluid sterft weg als de deur van het restaurant achter ons dichtslaat.

Een ober die netjes gekleed is in een zwarte broek en een wit overhemd kijkt ons vriendelijk aan. ‘Manger pour deux?’ Ik geef een bevestigend antwoord en hij wijst ons de weg. Een minuut later zitten we aan een klein tafeltje boven aan de trap met een kaart voor onze neus. Maar de kleine kaart die we buiten hadden bekeken is nergens meer te vinden.

Beteuterd keken Jonathan en ik elkaar aan. We hadden na uitgebreid vergelijkend warenonderzoek immers niet voor niets dit restaurantje gekozen. Een blik op het raam leerde dat het buiten nu echt aan het regenen geslagen was. Ook het lege gevoel in onze magen zorgde voor een voorkeur om binnen te blijven.

De zo proper geklede ober was echter in geen velden of wegen meer te bekennen. Het enige uitzicht dat we hadden was een witte bloem die zijn kopje had gebogen en een beetje treurig uit een glaasje water stak. Jonathan en ik maakten van de tijd gebruik om nog even het programma voor de rest van de dag door te nemen.



Toen dan uiteindelijk toch een man in een wit overhemd bij onze tafel kwam, bleek dat we alleen beneden van de kleine kaart konden eten. En dus daalden we de trap weer af om beneden aan een willekeurig tafeltje weer plaats te nemen. Ook hier een witte bloem, deze keer bijna uitgedroogd in een zielig laagje water. Toen de kaart gebracht was, konden we eindelijk onze keuze maken.

Tenminste, dat dachten we. Want toen het puntje bij paaltje kwam en de ober onze bestelling wilde opnemen, bleek dat we opnieuw verkeerd zaten. Aan deze tafel kon alleen gedronken worden. Voor het op de kaart vermelde eten, moesten we een paar tafeltjes verderop aan de andere kant van de bar gaan zitten.

En zo zaten we even later aan een tafeltje dat er precies hetzelfde uitzag als het vorige, met precies dezelfde kaart voor onze neus en weer een witte bloem. Fier stak hij boven het water uit met helder witte blaadjes en meeldraden waarvan het stuifmeel op de tafel was gevallen. Een nieuwe ober nam uiteindelijk onze bestelling op en zo konden onze magen toch nog gevuld worden.

Terwijl we zaten te wachten op het eten, kwam er een verdwaalde bij op onze tafel afvliegen. Vol overgave stortte hij zich op de witte bloem. Ook ons eten werd nu gebracht en zo dineerden we gezamenlijk. Ik, Jonathan en de bij. Toen onze magen gevuld waren, bracht de pinpas oplossing voor de betaling. De bij was allang weer vertrokken, toen wij het geluid van de auto’s weer indoken. Op weg naar het Louvre.